• verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden,

  • leren wat het takenpakket in een bepaalde job is,

  • werken in een profit omgeving,

  • omgaan met klanten,

  • samenwerken in een team,

  • werken in een (hiërarchische) bedrijfsstructuur,

  • aanleren en verbeteren van arbeidsattitudes:

    • luistervaardigheden,

    • inlevingsvermogen,

    • betrouwbaarheid en stiptheid,

    • voorkomen,

    • assertiviteit,

Deze en andere leerpunten worden op de werkvloer verworven en de leerling zal hierop geëvalueerd worden.

 

9 tips om van je werkplek een goede leerplek te maken
 

1. Leerlingen leren continu, zowel formeel als informeel.

  • Formeel leren zijn de geplande leeractiviteiten (cursussen, trainingen…).

  • Informeel leren gebeurt spontaan: kijken naar een rolmodel, wat je ziet, hoort en waarneemt.

 

Je bent een rolmodel: geef zelf het goede voorbeeld. Een leerling leert continu van jou (informeel leren): je kan deze schakelaar niet aan- of afzetten. Hoe jij op de werkvloer staat, is de norm voor de leerling: jouw passie, gedragingen, communicatie… is het voorbeeld waarnaar de leerling zal handelen.

 

2. Het leerproces ziet er als volgt uit:

 

 

  • Fase I: de leerling weet niet dat hij bepaalde taken nog niet kan.

    • Om naar de volgende fase te kunnen gaan, moet de leerling voldoende feedback krijgen.​

  • Fase II: de leerling wordt zich bewust van het feit dat hij iets niet kan. Hij begint te oefenen en te proberen, met vallen en opstaan.

    • Om naar de volgende fase te kunnen gaan, is een gerichte opleiding noodzakelijk.​

  • Fase III: het begint te lukken, maar de leerling moet er nog bij nadenken.

    • Om naar de volgende fase te kunnen gaan, is veel herhaling en begeleiding nodig.​

  • Fase IV: het lijkt alsof de taak vanzelf gaat.

 

Observeren is heel belangrijk, kijk in welke fase de leerling zit.
 

De leerling kan alleen evolueren in zijn leerproces als hij leert om zelf na te denken over problemen en mogelijke oplossingen.

  • Je kan dit stimuleren door de juiste open vragen te stellen en door te vragen.

  • Als de leerling iets niet begrijpt, kan je (in plaats van de oplossing te herhalen) proberen te achterhalen waar het probleem zit en waarom hij het niet begrijpt. Hierdoor kan je het hem beter uitleggen.

 

3. Kies het juiste leermoment: het is belangrijk dat de leerling geconcentreerd is wanneer je hem iets belangrijk probeert aan te leren.

 

4. Elke leerling leert op zijn eigen tempo en het leerproces gaat langzaam.

  • Sommige leerlingen raken om deze reden gedemotiveerd (‘het gaat niet snel genoeg’), hou hier rekening mee.

  • Raak zelf niet gedemotiveerd omdat je niet snel genoeg progressie in de leerling ziet.
     

Wees dus geduldig en realistisch in je verwachtingen: je loopt geen sprint, wel een marathon!

 

5. Herhaling zorgt ervoor dat kennis en vaardigheden beter onthouden worden.

 

 

 

 

 

        

 

6. Neem zoveel mogelijk leerbelemmeringen (bijvoorbeeld een omgeving met veel lawaai) weg. Zo heeft de leerling geen stress en kan hij zich concentreren.

  

7. Doseer: geef de leerling voldoende tijd om alles te absorberen.

 

De spons (de leerling) neemt het water (de kennis, ervaring en inzicht) uit de kraan op. De mentor bedient de kraan en bepaalt hoeveel water er uit de kraan komt.
Valkuilen:

  • Te veel water aan de spons geven: de spons zal het water niet allemaal opnemen. De leerling kan niet alles onthouden en vergeet dingen.

  • Te weinig water aan de spons geven: de spons blijft droog. De leerling heeft het gevoel niet genoeg bij te leren.

 

8. Begeleid de leerling. Wanneer je de leerling enkel met vallen en opstaan laat leren, is de kans groot dat hij zich onvoldoende gesteund en gedemotiveerd zal voelen.
 

9. Hoe meer tijd je in het begin van het schooljaar investeert, hoe hoger het rendement van de leerling op het einde van het schooljaar.

 

  • Schat het startniveau van de competenties van de leerling in: waar staat hij op de ladder van de bekwaamheid?

  • Jij staat als mentor zelf op het niveau waar de leerling moet geraken.

    • Hoe breng je de leerling op dit niveau?

    • Welke aanpak zal je gebruiken?

  • Besteed in het begin voldoende tijd in het opleiden van de leerling.

    • Mogelijks wordt je eigen rendement daarmee tijdelijk wat lager (de ‘investering’).

    • Maar na verloop van tijd zal het rendement van de leerling dit compenseren.

De leerling komt naar het bedrijf om begeleid te leren: hij koos er zelf voor om niet enkel op de school te leren, maar ook in het bedrijf. Het is dus jouw taak om de leerling op te leiden en om van je werkplek een leerplek te maken, alleen zo zal de leerling afstuderen en zijn diploma kunnen halen.

De leerling komt in het bedrijf aan met een bepaalde basis, maar moet nog veel leren. Bekijk ‘leren’ op een brede manier:

Naar: situationeel leiding geven

De werkplek is een leerplek